Historisch overzicht


BEESD Tot de tegenwoordige gemeente Beesd, samengesteld uit het vroegere ambt Beesd en Rhenoy, de in 1726 van dit ambt afgescheiden heerlijkheid MariŽnweerd en de voormalige baronie van Acquoy, behoren de dorpen Acquoy, Beesd en Rhenoy.

Het dorp Beesd vormt een gaaf ontwikkeld voorbeeld van het gestrekte dorpstype, dat in het rivierkleigebied is ontstaan. De aanleg van dit dorpstype, wel genoemd het gestrekte esdorp (R. G. den Uijl, Dorpen in het rivierkleigebied, Bull. K.N.O.B., tgs8, kol. ios), en bestaande uit twee, in enkele gevallen zoals in Beesd, drie evenwijdige wegen, die vorksgewijs op elkander aansluiten, is mede bepaald door de gerekte vorm van de stroomruggronden, waarop deze dorpen tot ontwikkeling zijn gekomen. De plattegrond van Beesd (fig. 2) verraadt een min of meer planmatige aanleg.



De diepte van de erven varieert tussen 6o en 7s m. De erven, gelegen aan de landzijde van de Voorstraat, lopen door tot een eerste achterweg. De erven, gelegen aan deze achterweg, strekten op tot een tweede achterweg, waarlangs aan de landzijde een derde reeks erven is gelegen, eveneens omstreeks 6o m diep. De hoofdstraat van Beesd, is de evenwijdig aan de Linge lopende en met geschoren linden beplante Voorstraat, die reeds in de )avde eeuw die naam droeg, pl. tv, afb. 6. Op 26 september 1 333 wordt een hofstede vermeld `gheleghen tot Beesde an die Vorstestrate tusschen den gasthuse van Beesde enz.' (Cart. van MariŽnweerd blz. 2S8, nr. 418). Deze bij de kerk ruim 20 m brede dorpsstraat vormt met zijn beplanting een voor het rivierengebied zeer karakteristiek dorpsbeeld.

LITERATUUR
Teg. Staat III, blz. 301; v. d. Aa II blz. 233; RŲmer, Het Hoge Huis te Beesd (1493-1517), Geld. Volksam., 1857, blz. 42; De Gelderlander, 6 februari 1929; J. L. van der Heijden pr. en J. A. V. Vernooij, pr., De parochie van Heilig Kruisverheffing te Beesd, Leerdam 1948.
GESCHIEDENIS
Een weiland te Beesd wordt genoemd onder de goederen, waarvan de abdij Marienwaard in 1129 begiftigd wordt (Oork. St. Utr. nr. 327). Waarschijnlijk is echter juist deze passage eerst na 1224 toegevoegd; in 1244 heeft de plaats stellig een kerk.

Beesd telde enkele versterkte huizen, t.w. Hooge-, Lage- en Blauwe Huis, bewoond door leden van het geslacht Pieck, die voortdurend met elkaar overhoop lagen. Walraven Pieck, die aan de zijde van de Geldersen stond, had sedert 1478 bezit genomen van het Hooge Huis, waarop zijn broer Cornelis, die evenals een andere broer Gijsbert, Bourgondisch gezind was, aanspraak maakte. Tot 1492 kon Walraven zich met behulp van de Geldersen handhaven, doch in dat jaar nam zijn jongste broer Comelis, geholpen door een bende Hollanders, het slot in, en kreeg hij het van Gijsbert in bewaring. Bij deze overval viel Walraven in Comelis handen. Gijsbert Pieck was een bendeleider, die de streek onveilig maakte, de dorpen brandschatte en plunderde, o.a. MariŽnweerd. Ten slotte trachtte Karel van Gelder aan deze ongeregeldheden een einde te maken; hij belegerde gedurende zeventien weken te vergeefs het Hooge Huis. Toevalligerwijs kreeg hij Gijsbert Pieck in handen en met deze als gijzelaar, sommeerde Karel, Cornelis hem het huis over te geven, wat deze weigerde, waarop Karel, Gijsbert in Tiel liet onthoofden. Kort daarop werd Walraven, die 'in een gatt in die muir' van het Hooge Huis gevangen zat, dood in zijn gevangenis gevonden. Cornelis Pieck kon zijn bestaan nog tot 1511 rekken, in welk jaar Hertog Karel het huis onverwacht met vierhonderd man aanviel en veroverde, en Otto van Haeften als drossaard aanstelde. Deze stak in 1517 het slot in brand, bevreesd dat de Oostfriezen, die Asperen uitgemoord hadden, naar, Beesd zouden komen.

Van al die vetsterkte huizen is niets meer over. Het Hoge Huis is tegen het einde van de XVIIIe eeuw gesloopt. Het gebouw aan de Achterstraat, dat nu nog Hoge Huis heet moet een bijgebouw geweest zijn. Er staat een monumentale schuur op terp bij uit 1901 . Tekening O.l. inkt door P. van Liender, Gem. Museum Arnhem.
Het Lage Huis, Huis aan de Wiel of Wolfswaard, vanouds een Gelders leen, kwam in 1427 aan een Gijsbert Pieck, in wiens geslacht het tot 1731 bleef. (De Wapenheraut, 1897,) en is in het begin der =de eeuw afgebroken. J. de Beijer tekende het in 17 S0 (Archief de Poll cat.nr 1639) als groot huis op T-vormige plattegrond tussen zg. Gelderse gevels en met een zware veelhoekige toren. Een tekening van de zijde van de toren, (Arch. de Poll nr. 1640) uit 1720, zal van de hand van A. de Haan zijn;

Het Blauwe Huis was waarschijnlijk het oudste der drie huizen; het lag buitendijks aan de Linge en was eveneens een Gelders leen. In 1654 is dit huis verdwenen.
Ingekwartieerde Pruisische troepen plunderden in de nacht van 15 op 16 september 1787 in Beesd en omgeving, meer dan vijftig huizen. terwijl op 29 november 1836 een hevige storm woedde, brak er brand uit. Verschillende huizen werden in de as gelegd, maar doordat de wind van richting veranderde, werd voorkomen dat het hele dorp in vlammen opging.
Al in 1329 komt een gasthuis voor, De abt van Marienweerd was collator van een Gasthuis-of St. Nicolaas-vicarie, waarvan de goederen in 16o5 bestonden uit het gasthis; zelf, één paard in Rumpt en een ander in Enspijk.



MariŽnwaerd...vroeger en nu....



Ten oosten van het dorp Beesd, an de noordelijke oever van de Linge, bevindt zich het landhuis MariŽnwaerd. Dit landhuis staat op de plaats van de vroegere Premonstratenzer abdij Marienweerd.

huize MariŽnwaard in huidige staat
Deze abdij werd gesticht door de edelvrouwe Alveradis, weduwe van Hendrik van Cuijk, in 1129. Waarschijnlijk als zoenoffer voor de door Herman van Cuijk begane moord op Floris I, Graaf van Holland.

De eerste abt was een zekere Robertus, die op 29 oktober 1170 overleed. Het was al spoedig een rijke abdij door de vele giften en schenkingen van onroerend goed.

De abdij lag schitterend in het westen van de Betuwe, aan de bevaarbare Linge, maar was, door de afgelegen ligging uiterst kwetsbaar. Het klooster werd dan ook regelmatig uitgeplunderd, onder andere door de bende van Gijsbert Pieck in 1493.

Na een onrustige periode kwam er een korte opleving onder het goede bestuur van abt Peter van Zuyren. De goede geest binnen het klooster bleek o.a. uit de christelijke liefdadigheid, die op MariŽnweerd tot uitdrukking kwam in het delen met en ondersteunen van de vele armen en melaatsen die er toen waren. Op de vastgestelde dagen kwamen er soms duizenden aan de poort.

In 1566 en 1567, tijdens de beeldenstorm, legden troepen van Hendrik Brederode uit Vianen MariŽnweerd in de as en werden vele kostbaarheden door hen geroofd. Het klooster was nu onbewoonbaar geworden. De abt en zijn kloosterlingen weken uit naar Culemborg, waar zij veilig onderdak vonden in het kruisbroederenklooster "Jerusalem". Toen deze gastvrijheid niet langer gewaarborgd kon worden (in 1581) vestigden abt en kloosterbroeders zich in een woonhuis, opnieuw in Beesd.

Na de reformatie viel de abdij in handen van het Rijk en op 29 maart 1709 werd het landgoed verheven tot heerlijkheid, mede om de koop ervan aantrekkelijk te maken.

In 1734 werd Ofte Frederik Boeleman, graaf van Bylandt, de nieuwe heer en eigenaar. Deze liet een huis bouwen dat gestaan zou hebben op de plaats waar nu de stal en het koetshuis zijn gelegen.

Omstreeks 1790 liet de toenmalige heer van Bylandt het statige, huidige MariŽnwaerd bouwen.

Door vererving kwam de heerlijkheid in handen van de familie van Verschuer. De huidige bewoner is Mr. O.W.A. Baron van Verschuer en familie, die alles in het werk stellen om de heerlijkheid in zijn geheel te beheren en te onderhouden.

Van de vroegere abdij zijn alleen de kelderruimten en een oude vluchtgang naar de Linge overgebleven. De vluchtgang is dichtgemetseld vanwege het instortingsgevaar.

Een oude grafsteen van Peter van Zuyren, de al eerder genoemde abt, is gevonden als drempel in een boerderij. Deze steen, nog in tamelijk goede staat, is opgesteld in een kelder op het landgoed. De afbeelding van de abt met o.a. kelk en mijter, is nog goed zichtbaar.